Lezing ter gelegenheid van de boekpresentatie van De Rattenlijn

De bevrijding, die het einde van de Tweede Wereldoorlog betekende, is als een janushoofd. In de Romeinse mythologie was Janus de god van het begin en van het einde, van het openen en het sluiten. Vaak wordt hij afgebeeld als een figuur met één hoofd met twee gezichten. Het ene gezicht kijkt terug in de tijd, het andere kijkt vooruit.

De joodse Sally Meijer, zojuist bevrijd van zijn gevangenschap in doorgangskamp Westerbork, wist op 10 mei 1945 nog niet wanneer hij en zijn familie het kamp mochten verlaten [ik citeer zijn persoonlijk verslag] ‘om de volledige vrijheid te kunnen smaken, waarnaar wij vijf lange jaren hebben gehunkerd,’ ‘om met onze gezinnen een nieuwe en betere toekomst op te bouwen.’ Maar zijn optimisme was – nog – groot. ‘Onze gedachten,’ schrijft hij, ‘zullen dan vaak vertoeven bij dit met tranen gedrenkte stukje grond, (…) waar vele tienduizenden dagelijks in angstige spanning hebben verkeerd tot ook voor hen het tragische ogenblik was aangebroken om de reis naar het Oosten te moeten aanvaarden, vanwaar, naar wij vurig hopen velen mogen terugkeren.’

Tegelijkertijd heeft de bevrijding ook in andere zin een janushoofd. Want dat de oorlog echt voorbij zou zijn, bleek voor de meesten – slachtoffers, daders en omstanders gelijk – een bittere illusie. De bevrijding leek de belofte in te houden dat men de oorlog achter zich kon laten, maar voor velen gold dat het nadenken over de eigen rol hierin toen pas echt op gang kwam.

In De Rattenlijn van Matthias Rozemond volgen we twee van zulke mensen voor wie de oorlog na de bevrijding allesbehalve voorbij was. De Nederlandse Nicolaï komt berooid en gedesillusioneerd terug uit het concentratiekamp. Daar heeft hij moeten vechten voor zijn overleven, al ging dat wel ten koste van zijn zelfbeeld en gevoel van eigenwaarde. De Duitse Victoria stond in de oorlog aan de verkeerde kant. Zij was een zogenaamd Lebensborn­-meisje en schonk in haar jeugdige naïviteit het Derde Rijk een kind. Na de oorlog werkt ze ver van huis in een etablissement van bedenkelijk allooi, alleen en zonder liefde.

Beiden zijn bevrijd en tegelijkertijd ook niet. Wat de oorlog met hen heeft gedaan, is iets wat zij niet zomaar terzijde kunnen schuiven. De oorlog heeft voor hen een lange, wrange nasleep. De één, verteerd door schuldgevoelens jegens een vermoorde kampvriend, gaat op zoek naar de SS-er die hem op transport heeft gesteld. De ander komt tot de ontdekking dat niets in de oorlog was zoals ze had gedacht en gaat op zoek naar haar Lebensborn­-zoontje Joachim.

Beiden komen in hun zoektocht niet alleen zichzelf en uiteindelijk elkaar tegen, maar worden misschien nog wel meer dan in de oorlog, geconfronteerd met vragen die het individuele overstijgen.

Beiden worden namelijk geconfronteerd met de morele dimensie van de oorlog.

Beiden worden geconfronteerd met goed en fout

Goed en fout. Als er over de oorlog wordt gesproken, wordt vaak deze tegenstelling genoemd. In de oorlog was het een belangrijke vraag of je goed of fout was. Voor verzetslieden, joden en andere door het Nazi-regime getroffenen, was het juiste antwoord op deze vraag immers van levensbelang. Ook in de eerste geschiedschrijving over de oorlog lag daar de nadruk op. Het was één van de centrale thema’s in Loe de Jongs magnum opus Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

In de eerste twintig jaar na de oorlog was de groep van diegenen die ‘fout’ waren geweest in de publieke opinie echter nog relatief klein. Nederland zou zich eendrachtig hebben ingezet en hebben stand gehouden tegen de Nazi-vijand. Daar gingen enkele historici, naast De Jong ook Jacques Presser en Abel Herzberg, al vroeg tegenin. Want wat dan te denken van al die treinen die maar bleven rijden? Waarom knepen zoveel mensen een oogje toe terwijl voor hun neus mensen werden opgepakt en weggevoerd naar een onzekere bestemming? Dit gold niet alleen voor Nederland, maar voor veel verschillende West-Europese landen, en zéker voor Duitsland zelf.

Pas in de jaren tachtig ging dit beeld écht kantelen. In zowel het publieke debat als de geschiedwetenschap werd steeds meer gesproken over de accommodatie die de Nazi’s bij hun misdaden ondervonden. Of zoals in Nicolaï’s bittere woorden: ‘Hier in Nederland was het net zo. Wie de oorlog was doorgekomen, had kennelijk ergens het besluit genomen om zijn waffel te houden en de bezetter te dulden. Zo had men indirect zijn toevlucht tot de leugen genomen.’ Steeds meer drong het besef door, dat wat de Duitsers met joden en andere vervolgden hadden gedaan, niet mogelijk was geweest zonder grootschalige medewerking van de inwoners van de bezette landen zelf. Over Nederland, waar het percentage vermoorde joden veel hoger was dan in andere Westerse landen, ontstond steeds meer een beeld van een volk dat eigenlijk vooral had weggekeken en had geprobeerd zo goed en zo kwaad als dat ging de oorlog door te komen. Dat beeld culmineerde in het controversiële boek van Chris van der Heyden Grijs Verleden, dat van Nederlanders een volk maakte dat vooral aan het ‘doormodderen’ was. De laatste jaren zijn er echter steeds meer tegengeluiden te horen. Sociologe Jolande Withuis pleitte onder meer voor een herwaardering van de echte helden in de oorlog en schreef een boek over één van hen: de verzetsman Pim Boellaard.

Wat is de reden voor deze voortdurende fascinatie met de schuldvraag? Waarom willen we precies weten wat de verantwoordelijkheid was van de man (of vrouw) in de straat? Boeken als die van schrijver Ies Vuijsje (Tegen beter weten in) en recentelijk van historicus Bart van der Boom (‘Wij weten niets van hun lot’, gewone Nederlanders en de Holocaust) over de vraag wat gewone mensen wisten van de jodenvervolging, zijn enorm populair en roepen veel discussie op. Het is een soms eindeloos lijkende discussie, wie was goed en wie was fout, wie wist wát wel en wie wist wát niet, die zelfs meer dan 65 jaar na dato nog altijd veel emoties oproept.

Vanwaar die preoccupatie met de schuldvraag?

Ik denk dat de kwestie raakt aan het hart van het menszijn, van de menselijke identiteit.

In de kampen was er een continue worsteling om het bestaan. Om te overleven moest je de oude wereld met haar bekende normen en waarden en morele regels min of meer achter je laten. ‘Vasthouden aan principes was dwaas,’ zegt Nicolaï ook. ‘(…) Overleven was een kwestie van inspelen op de situatie, van kijken wie je vrienden waren. Nee, het ging niet eens om vriendschap, je moest kijken bij wie er wat te halen viel.’ Er was een continue strijd tussen wat onderzoeker en kampoverlevende Tsvetan Todorov wel heeft genoemd ‘vital values’, de directe wil van een mens tot leven en overleven, en ‘moral values’, de wens om moreel te blijven handelen, dat men erkent en herkent dat er iets belangrijker is dan het leven, namelijk menselijk blijven, ook voor de ander.

Naar mijn idee kan deze strijd ook breder worden getrokken. Zelfs voor de gewone burger, zoals de andere hoofdpersoon van De Rattenlijn Victoria, kun je stellen dat in de oorlog andere regels golden dan daarna. Het is altijd makkelijker om met de kennis van achteraf te oordelen over wat men had moeten doen of juist had moeten laten. Had Victoria moeten inzien dat zij, of eerder haar lichaam, werd gebruikt voor een megalomaan en racistisch plan? Had Nicolaï niet het risico moeten nemen om voor verzetsman Van Dinteren iets af te leveren?

Overlevingsdrang en de wil om moreel te kunnen blijven, zijn twee heel fundamentele menselijke behoeften. In extreme omstandigheden worden zij uitvergroot en zullen ze vaker met elkaar in conflict komen. Maar de keuzes waar mensen in tijden van oorlog voor staan, zijn in principe dezelfde soort keuzes als alle mensen, te zijner tijd, krijgt voorgeschoteld: het zijn universele vraagstukken. Dat ik het beter heb getroffen dan die ander, betekent dat dat ik schuldig ben? Of heb ik gewoon geluk gehad? Mag ik mijzelf en mijn naasten voorrang geven boven anderen? Juist omdat mensen in tijden van oorlog op scherp worden gesteld, tegenover elkaar én zichzelf komen te staan, worden die keuzes en vraagstukken nóg dwingender. En de consequenties zijn vrijwel altijd nóg zwaarder.

Wie was goed en wie was fout, wie was dader en wie was slachtoffer, wat is recht en wat is onrecht. Het zijn kwesties die in De Rattenlijn als een rode draad door de twee individuele relazen zijn geweven. De keuzes van de hoofdpersonen worden in grote mate beïnvloed door de wijze waarop zij met deze vragen omgaan. Oók na de oorlog. Zeker na de oorlog, wanneer het gewone leven weer moet worden hervat, maar wat is gebeurd in de persoonlijke herinnering is verankerd.

Graag neem ik u mee naar een belangrijke scene in De Rattenlijn:

Op een gegeven moment praten Victoria en Nicolaï over de dingen die ze allemaal hebben gedaan. Victoria zegt: ‘Laten we gewoon maar de oorlog de schuld geven.’ Nicolaï is het daar niet mee eens: hij had toch meer moeten doen voor zijn omgekomen vriend en ook had hij nooit die gestolen diamanten mogen smokkelen. Victoria werpt vervolgens tegen dat hij toch ook maar probeerde te overleven en zegt: ‘Je bent in ieder geval de eerste die ik ontmoet die daar een slecht gevoel aan overhoudt. Iemand heeft eens gezegd dat je een goed mens kunt herkennen doordat hij zichzelf in twijfel trekt. Hij relativeert zijn goede daden en heeft oog voor wat hij achterwege heeft gelaten. Hij houdt zijn motieven voortdurend tegen het licht.’ Maar Nicolaï vindt dat zij hem te veel eer aandoet. Hij is immers alleen maar goed in overleven. En, zegt hij: ‘Goede mensen overleven niet.’ Aan dode mensen heb je toch niets, werpt Victoria tegen en een slecht mens zou zeker niet achter een oorlogsmisdadiger zijn aangegaan. En, belangrijk, hij wil maar al te graag verder leven, net als zij. Als Nicolaï ten slotte uitkomt op het volgende, is Victoria het ook wat haarzelf betreft, daarmee eens: ‘Goed, dan ben ik maar een half geslaagd mens.’

Kortom, beiden proberen, zo goed en zo kwaad als het gaat, hun leven op te pakken. Ze hebben overleefd; nu willen ze ook leven. Maar daarvoor moeten ze in het reine komen met wat ze gedáán hebben om te overleven, met de morele prijs die ze daarvoor hebben betaald.

Helemaal bevrijd zijn Nicolaï en Victoria daarom nooit.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.